Bij aanvang zal de therapeut een aantal sensoren plaatsen op de schedel. Deze sensoren zijn kleine goudkleurige schoteltjes met een doorsnede van circa 1 cm en middels deze sensoren wordt de hersenactiviteit gemeten en doorgegeven aan de computer. De computer analyseert de informatie en zorgt voor de juiste reactie van het systeem. De locatie en het aantal sensoren hangen af van het gekozen behandelprotocol. Over het algemeen worden circa 3 sensoren geplaatst
Voordat de sensoren worden geplaatst, zal met een speciale gel de huid worden gereinigd om een goede meting te kunnen waarborgen. Dit is volkomen pijnloos en de sensoren worden vervolgens met een speciale pasta op de schedel bevestigd. Nadat de sensoren op de juiste positie zijn geplaatst, kan de training beginnen. De cliënt neemt plaats achter een beeldscherm en ontspant zich. De therapeut zal op zijn beeldscherm de plaatsing van de sensoren en de kwaliteit van het meetsignaal controleren.
Op het scherm van de cliënt wordt vervolgens een filmpje vertoond of wordt een spelletje zichtbaar. Indien de juiste hersenactiviteit wordt gemeten zal het filmpje zichtbaar zijn of kan het spelletje worden gespeeld. Bij foutieve hersenactiviteit zal het scherm zwart worden of het spelletje worden gestopt. Het idee achter deze training is dat hersenen zelf de relatie gaan ontdekken tussen de juiste activiteit en de bijbehorende beloning in de vorm van het filmpje of spelletje. De cliënt hoeft zich dus niet in te spannen en dient het brein zelfstandig zijn gang te laten gaan. Na verloop van tijd zal de cliënt een gevoel ontwikkelen wanneer de juiste hersenactiviteit wordt vertoond en wordt de vaardigheid om dit gevoel op te roepen steeds groter. Hierdoor zal de training steeds effectiever worden. Een gemiddelde training duurt ongeveer 45 minuten en bestaat uit verschillende sessies afgewisseld met korte pauzes. Na afloop worden de sensoren weer verwijderd en wordt de behandeling afgesloten met een korte evaluatie van de sessie.